Er zijn tientallen onkruid soorten die in Nederlandse tuinen kunnen opduiken, maar een handvol komt zo vaak voor dat bijna elke tuinier er vroeg of laat mee te maken krijgt. Denk aan de paardenbloem, brandnetel, herderstasje, akkerdistel en braamstruik. Hoe je een soort herkent, bepaalt ook hoe je hem het best aanpakt. Hieronder vind je een overzicht van de meest voorkomende soorten, inclusief wat ze zo hardnekkig maakt.
De meest voorkomende onkruid soorten op een rij
Paardenbloem (Taraxacum officinale) is waarschijnlijk het bekendste onkruid van Nederland. Je herkent hem aan de gele bloem en de diepgetande bladeren die plat op de grond liggen. De penwortel kan wel 30 centimeter diep gaan. Als je hem uittrekt en de wortel breekt, groeit hij gewoon weer terug. Verwijderen doe je het best met een wortelsteker of een smal tuinmesje, zodat je de hele wortel meehaalt.
Brandnetel (Urtica dioica) herken je natuurlijk aan de brandende haren op de bladeren. Hij groeit bij voorkeur op stikstofrijke grond, dus veel brandnetels kunnen een teken zijn dat de grond te voedselrijk is. De plant verspreidt zich via ondergrondse uitlopers, waardoor één plant snel een grote plek kan bezetten. Draag altijd handschoenen als je ze verwijdert.
Herderstasje (Capsella bursa-pastoris) is een eenjarig onkruid met kleine witte bloempjes en driehoekige zaaddoosjes die op een herderstasje lijken. Hij zaait zich enorm snel uit en kan al na enkele weken zaad produceren. Trek hem weg vóór hij bloeit, dan voorkom je dat de zaden zich door de tuin verspreiden.
Akkerdistel (Cirsium arvense) heeft stekelige bladeren en paarse bloemen. Dit is een van de moeilijkste soorten om kwijt te raken, omdat de wortel diep gaat en gemakkelijk nieuwe scheuten vormt. Knippen helpt tijdelijk, maar verwijderen van de wortel vraagt echt doorzettingsvermogen. Herhaaldelijk terugsnijden put de plant uiteindelijk uit.
Braamstruik (Rubus fruticosus) groeit snel en heeft stekelige ranken die zich aan alles vasthaken. Als hij eenmaal ergens zijn gang gaat, kan hij in één seizoen meters winnen. Snoeien alleen is niet genoeg; je moet de wortels steken en zoveel mogelijk uitgraven om terugkeer te voorkomen.
Draadereprijs (Veronica filiformis) vormt een dichte mat van kleine, ronde blaadjes met lichtblauwe bloempjes. Hij treft je vooral in gazons en is bijzonder taai omdat kleine stukjes stengel al voldoende zijn om nieuwe planten te vormen. Maaien maakt het probleem vaak groter in plaats van kleiner.
Vogelmuur (Stellaria media) is een laagblijvend, kruipend onkruid met kleine witte sterretjesbloemen. Hij groeit het liefst in de koele, vochtige lente en herfst. Vogelmuur trekt makkelijk uit, maar omdat hij zo snel zaad verspreidt, ben je er snel weer mee geconfronteerd als je hem niet bijtijds weghaalt.
Kleefkruid (Galium aparine) heeft stengels en bladeren die vol met kleine haakjes zitten, waardoor de plant aan kleding en dierenvacht blijft plakken. Hij groeit snel omhoog langs heggen en andere planten. Jong kleefkruid is makkelijk te verwijderen, maar bij oudere planten heeft hij al te veel zaad kunnen maken.
Eenjarig of overblijvend: waarom dat verschil belangrijk is
Bij onkruid soorten is het verschil tussen eenjarige en overblijvende planten cruciaal voor de aanpak. Eenjarige soorten zoals herderstasje en vogelmuur leven één seizoen en planten zich alleen via zaad voort. Haal ze weg vóórdat ze bloeien en je hebt het probleem grotendeels opgelost. Overblijvende soorten zoals paardenbloem, akkerdistel en brandnetel hebben wortelsystemen die jarenlang overleven. Hier helpt alleen wortels verwijderen, niet alleen het bovengrondse deel afsnijden.
Overblijvende soorten zijn daardoor ook veel hardnekkiger. Een paardenbloem die je afknipt maar niet uitsteekt, is er gewoon weer binnen een paar weken. Hoe vaker je de plant terugsnijdt zonder de wortel aan te pakken, hoe meer energie de plant verbruikt en hoe kleiner hij uiteindelijk wordt. Bij de akkerdistel werkt dit principe ook, al vraagt het meerdere seizoenen.
Soorten die via uitlopers of zaad razendsnel verspreiden
Sommige onkruidsoorten zijn lastig niet omdat de plant zelf zo groot wordt, maar omdat hij zich zo snel uitbreidt. Brandnetel en akkerdistel doen dat via ondergrondse uitlopers: één plant wordt in een paar jaar een heel veld als je niet ingrijpt. Draadereprijs en kleefkruid doen het via zaad of plantfragmenten. Bij deze soorten geldt: hoe eerder je ingrijpt, hoe minder werk het is. Een kleine plek brandnetel in april is makkelijker aan te pakken dan een grote mat in augustus.
Braamstruiken breiden zich bovendien uit doordat de lange ranken de grond raken en daar wortel schieten, een proces dat “bewortelen van uitlopers” heet. Daardoor ontstaan er op meerdere plekken tegelijk nieuwe planten, zonder dat er zaad aan te pas komt.
Veelgestelde vragen over onkruid soorten
Hoe weet ik of een plant onkruid is of niet?
Er is geen botanische definitie van onkruid. In de tuinpraktijk noem je een plant onkruid als hij op een plek groeit waar je hem niet wilt hebben. Een brandnetel in een kruidenhoek kan gewenst zijn; in je border niet.
Welke onkruidsoort is het moeilijkst te verwijderen?
De akkerdistel en braamstruik worden door veel tuiniers als de lastigste soorten gezien, vanwege hun diepe wortels en snelle groei. Ook hoefblad (Tussilago farfara), dat minder bekend is, heeft een extreem diep wortelstelsel dat moeilijk volledig te verwijderen is.
Kan ik onkruid ook preventief aanpakken?
Ja. Bodembedekkers, een dikke laag schors of houtsnippers en het dicht beplanten van borders laten weinig ruimte voor onkruid om te kiemen. Zaad heeft licht en open grond nodig om te ontkiemen; neem die ruimte weg en je hebt al een groot voordeel.
Is onkruid altijd slecht voor de tuin?
Niet per se. Brandnetels zijn goed voor vlinders en rupsen. Paardenbloemen bieden vroeg in het jaar nectar voor bijen. In een moestuin of border wil je ze niet, maar in een wilde hoek van de tuin kunnen sommige soorten juist bijdragen aan de biodiversiteit.
De meeste onkruid soorten zijn goed te beheersen als je ze vroeg herkent en weet wat ze nodig hebben om te overleven. Ken je de soort, dan ken je ook de zwakke plek. En die zwakke plek is de sleutel tot een tuin waar jij bepaalt wat er groeit.



